Ik ben positief gestemd over een Pensioenakkoord. Waarom? Omdat Minister Koolmees het heft eindelijk in handen heeft genomen. In zijn Kamerbrief van 1 februari schetst hij het beoogde nieuwe pensioenstelsel.

De 4 hoofdlijnen zijn bekend –deze stonden al in het SER-rapport en in de Perspectiefnota uit 2016.

1. We gaan naar persoonlijk pensioensparen, iedereen spaart dus voor zichzelf.
2. We zorgen ervoor dat iedere werknemer – en ook ZZP-ers – voldoende mogelijkheden hebben om een goed pensioen op te bouwen.
3. We schaffen ‘dus’ de doorsneepremie af (doorsneepremie betekent dat alle deelnemers een even groot % van hun salaris bijdragen, ongeacht de leeftijd) en compenseren de daardoor gedupeerden.
4. We verruimen de mogelijkheden om ook andere dingen te doen met pensioengeld, van lumpsum op pensioendatum, tot aankoop eigen woning, zorg-/studieverlof etc.

Later komt dan de afschaffing van de huidige verplichtstelling – die überhaupt achterhaald is en niet meer nodig was na invoering pensioenplicht, en gewoon in strijd met Europese mededinging.
Als de sociale partners instemmen met de afschaffing, dan is minister Koolmees bereid om te bezien of volgend jaar ‘het korten van pensioenen’ voorkomen kan worden – en er wellicht weer geïndexeerd kan worden. Want, laten we eerlijk zijn: niemand zit te wachten op kortingen, zeker niet van 1 of 2%. Dat kost meer dan het oplevert.

Er is dan nog maar één belangrijk aandachtspunt, en dat is pensioen van werknemers met een zwaar beroep. Niet zozeer de discussie wat nu wel en niet een zwaar beroep is, maar wel de pensioenoplossing voor degene die vindt dat hij een zwaar beroep heeft. Echter, de oplossing is mijns inziens niet zo moeilijk. De AOW moet daartoe flexibel worden. Iedereen – dus naar eigen keus – mag vanaf 3 jaar voor zijn/haar AOW-datum 50% van de AOW alvast laten uitkeren. Of dat dan nog gekort moet worden met 6,5%, zoals ooit het beoogde plan was, is een politieke en financiële keus. Daarnaast mag 50% van het (levenslange) pensioen vervroegd uitgekeerd worden in een termijn van 10 jaar. En dat ook nog eens hoog/laag binnen een bandbreedte van 100 : 75. Dat betekent dat men gedurende een bepaalde periode een hogere pensioen uitkering krijgt, daarna daalt de uitkering. Het aantal jaren dat men een hoog pensioen mag ontvangen, mag niet meer dan 10 jaar en niet minder dan 5 jaar zijn. De verhouding van het hoog-laag pensioen moet minimaal 100:75 zijn. Dat wil zeggen dat de laagste uitkering minimaal 75% moet bedragen van de hoogste.

Met deze mogelijkheid heeft de ‘werknemer met een zwaar beroep’ voldoende inkomen. Zo niet, dan heeft hij de mogelijkheid om voor 50% te blijven werken, al dan niet in een andere, minder zware, baan. Of hij kan zijn vermogen/huis aanspreken. Ook dat is een mogelijkheid.
Vakbonden – en werkgevers – moeten in overleg om te zorgen dat ‘zware beroepers’ (maar dus feitelijk alle werknemers) voor 50% kunnen blijven werken. In het bestaande bedrijf of elders. Daarvoor zijn de onderhandelingen tussen partijen als het poldermodel bedoeld.

De focus moet dus liggen op employability & pensioen: hoe zorgen we dat mensen wél – parttime – kunnen werken tot de pensioendatum, én zelfs erna. Aan de slag dus!

mr. Theo Gommer MPLA CCFP (1966) is managing partner bij de &Gommer Pensions Group. Daarnaast is hij advocaat bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten en oprichter van de PensionLawyers Asscociation.