Door het coronavirus dreigen de komende periode veel faillissementen in Nederland. Daarom is het wetsvoorstel Homologatie onderhands akkoord (WHOA) dat nu in de Tweede Kamer ligt, plotseling zeer urgent.

Bedrijven die in financiële problemen zijn gekomen, kunnen hun schulden herstructureren door met schuldeisers een onderhands akkoord te sluiten. Maar als een deel van de schuldeisers niet bereid is om mee te werken, zit er voor het bedrijf vaak niets anders op dan faillissement aan te vragen. De WHOA maakt het mogelijk om ook schuldeisers die niet mee willen werken aan een akkoord, te dwingen om mee te werken. Zo kunnen faillissementen worden voorkomen.

Nu er door de coronacrisis weinig debatten zijn in de Tweede Kamer, kan het wetsvoorstel niet besproken en aangenomen worden. Juist nu bedrijven in financieel zwaar weer verkeren is het belangrijk om een helder faillissementsrecht te hebben. Het is echter ook van groot belang om juist nu het wetstraject zorgvuldig te doorlopen. In de WHOA is de positie van kleine ondernemers namelijk niet goed beschermd. Kleine schuldeisers, vaak ondernemers, staan achteraan wanneer een ander bedrijf failliet gaat. Hierdoor krijgen kleine ondernemers weinig tot niets terug in dit soort situaties.

Een aantal kamerleden wil daarom pas op de plaats maken in dit wetstraject, om ervoor te zorgen dat de WHOA aantrekkelijker wordt voor het midden- en kleinbedrijf. ONL steunt deze houding van harte. Hans Biesheuvel: ‘De wet mag er snel komen, maar niet voordat de positie van de kleine ondernemer verstevigd is.’

Lees het opiniestuk in het AD van 25 maart 2020