Vandaag en morgen wordt het wetsvoorstel ATAD2 (Anti Tax Avoidance Directive) besproken in de Tweede Kamer. Donderdag zullen de Tweede Kamerleden hierover stemmen. Dit wetsvoorstel moet een einde maken aan structuren waarbij bedrijven bewust belasting ontwijken door gebruik te maken van de verschillen in belastingstelsels van landen. De zogenoemde hybride mismatches. Van deze mismatches kan het Nederlandse mkb niet tot nauwelijks gebruik maken. Toch zadelt dit wetsvoorstel het internationaal opererende mkb op met een enorme administratieve last. ‘Een kwalijke zaak’, vindt ONL-voorzitter Hans Biesheuvel. ‘Des te kwalijker is het dat de EU-richtlijn waaruit de ATAD2 voortvloeit de lidstaten niet vraagt een documentatieplicht voor het mkb in te voeren.’

ONL en andere critici hebben staatssecretaris Menno Snel al meermalen gewezen op de ondoelmatigheid en onwerkbaarheid van het wetsvoorstel voor het mkb. Ook de Tweede Kamer uitte haar zorgen over de administratieve lasten voor het mkb. Toch houdt de staatssecretaris voet bij stuk: alle ondernemingen moeten vanaf 1 januari 2020 bij interne grensoverschrijdende betalingen bewijzen dat de hybridemismatch-maatregelen niet op hen van toepassing zijn.

Natuurlijk vindt ONL de ambitie van dit kabinet om serieus werk te maken van agressieve belastingontwijking prijzenswaardig, maar zo druist het in tegen de andere ambities van dit kabinet. Daar waar de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat poogt de regeldruk voor het mkb te verminderen en bij hen internationaal ondernemen stimuleert, werpt Menno Snel met dit wetsvoorstel juist weer hoge barrières op. Afstemming tussen de verschillende bewindslieden lijkt totaal afwezig te zijn.

Bovendien zal de drang van dit kabinet om Europese richtlijnen nationaal strikter te implementeren dan vereist het Nederlandse vestigingsklimaat niet ten goede komen. Biesheuvel: ‘Het is goed dat Nederland haar verantwoordelijkheid neemt om belastingontduiking tegen te gaan, maar als hiermee barrières worden opgewerkt die andere lidstaten niet opwerpen, maakt dit Nederland minder aantrekkelijk om te vestigen dan wel te investeren.’

De welbewuste keuze van de staatssecretaris géén uitzondering te maken voor het mkb is tekenend voor de houding van dit kabinet ten aanzien van het bedrijfsleven: omdat enkele bedrijven misbruik maken moeten alle ondernemers het ontzien. Het gevolg van deze houding is dat mkb-bedrijven met buitenlandse activiteiten straks hoge kosten moeten maken om aan de administratieve lasten te voldoen. Zo zal een familiebedrijf dat een betaling doet aan een dochteronderneming in Duitsland, straks bewijs moeten leveren dat geen gebruik wordt gemaakt van een belastingstructuur die in de praktijk enkel voordelen met zich mee brengt voor het grootbedrijf. Dit is de wereld op zijn kop.