De behandeling van het wetsvoorstel Wet Arbeidsmarkt in balans (WAB) is een gelopen race. De WAB zal de steun van de meerderheid in de Eerste Kamer krijgen. Hiermee bevestigt de Eerste Kamer het beeld dat politici totaal geen rekening houden met het werkgeverschap. Het wetsvoorstel moet ervoor zorgen dat bedrijven meer mensen in vaste dienst nemen. Zo gaat de WAB flexibele arbeid duurder maken. Hiermee miskent de politiek de economische en maatschappelijke realiteit. Werkenden willen snel en moeiteloos voor meerdere werkgevers en/of opdrachtgevers kunnen werken en van verschillende werkvormen gebruik maken. Werkgevers moeten op hun beurt medewerkers op een flexibele manier in kunnen zetten om te concurreren en te voldoen aan de behoeften vanuit de markt en maatschappij.

 Maar er is meer: kamerbreed, door de Raad van State en vanuit het maatschappelijk middenveld is er al fors kritiek geuit op het wetsvoorstel. Terecht als je het ONL vraagt. Neem het gevreesde waterbedeffect. Het duurder maken van flexibele arbeid ten opzichte van contracten voor onbepaalde tijd zal waarschijnlijk leiden tot een toename van het inhuren van ZZP’ers, payroll- en uitzendkrachten. Dat is zorgwekkend, want er is nog geen eenduidige wetgeving voor deze groepen werkenden. Neem de timing van de wet: waarom wordt er niet gewacht op de opvolger van de Wet DBA, het advies van de Commissie Borstlap en de evaluatie van de Wet Werk en Zekerheid? Onduidelijk is nu hoe de WAB zich gaat verhouden tot al deze andere voorstellen voor de arbeidsmarkt. Eén ding is wel zeker volgens Hans Biesheuvel, voorzitter van ONL voor Ondernemers: “Deze wet gaat het werkgeverschap nog onaantrekkelijker maken.”

Zoals de transitievergoeding, die kent op dit moment geen pensioenplafond. Dat betekent dat deze vergoeding hoger kan uitvallen dan de maximale inkomensschade geleden door het ontslag. Het is vreemd dat de volledige transitievergoeding toegekend wordt aan de werkgever zelfs als er geen schade te compenseren valt of als er geen transitie naar ander werk plaatsvindt.

Het Regeerakkoord geeft aan dat de rechter een extra vergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding (bovenop de al bestaande transitievergoeding). Onduidelijk is wanneer een rechter tot verhoging van de transitievergoeding kan overgaan. Het is onlogisch, onrechtvaardig en onwenselijk dat de transitievergoeding altijd tot 150% wordt verhoogd als een werkgever zich beroept op de cumulatieve ontslaggrond.

Het betalen van een transitievergoeding vanaf de eerste werkdag zal – in combinatie met de premiedifferentiatie – bepaalde sectoren onevenredig zwaar treffen, zoals de horeca, land- en tuin- bouwsector. Ook de kleine mkb-bedrijven zullen deze last moeilijk kunnen dragen.

Het moeten uitbetalen van een transitievergoeding bij het beëindigen van een onderneming is een groot probleem. In de praktijk komt het voor dat ondernemers hun voor de oude dag gespaarde vermogen volledig moeten uitkeren aan een medewerker als ze stoppen met het bedrijf.

Kortom, waarom de Eerste Kamer gaat instemmen met deze wet is voor ONL een raadsel.