Klik hier om het position paper te downloaden in PDF-formaat

ONL steunt de ambitie van het kabinet om belastingontwijking en oneigenlijk gebruik van het fiscale stelsel hard aan te pakken. Helaas slaat de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap deze plank mis. Ondernemers met een zakelijke lening, waarover ze ook belasting betalen, worden over één kam geschoren met een kleine groep die oneigenlijk gebruik maakt van het stelsel. ONL pleit voor aanpassing van het wetsvoorstel, zodat ongewenst gedrag gericht bestreden kan worden. Zakelijke leningen tussen ondernemers en hun vennootschap moeten niet extra worden belast. Niet alleen voorkomt dit een hoop problemen bij ondernemers (DGA’s), het vergemakkelijkt handhaving voor de Belastingdienst.

  • De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap sluit niet aan bij de achterliggende doelstellingen. In het wetsvoorstel is niet gekozen om belastingontwijking en oneigenlijk gebruik gericht aan te pakken. Excessief lenen van de eigen vennootschap wordt niet onmogelijk gemaakt, het wordt louter dubbel belast. ONL vermoedt dat dit wetsvoorstel alleen bedoeld is om meer belasting (vanuit DGA’s) binnen te halen.
  • Ondernemers met een zakelijke lening vanuit de eigen vennootschap worden zwaarder belast, terwijl er gerechtvaardigde redenen zijn om vanuit de eigen vennootschap geld te lenen. Met oog op de continuïteit van de onderneming is het wenselijk om geen dividend uit te keren, maar het geld uit te lenen zodat het rendeert en in de toekomst gebruikt kan worden voor investeringen.
  • Ondernemers lenen liever van hun eigen BV dan van een bank. Het is ONL niet duidelijk waarom een ondernemer van alles en iedereen geld mag lenen, behalve van een vennootschap waarin hij of zij een aanmerkelijk belang heeft. Zolang het gaat om een zakelijke lening, die wordt afgelost en waarover rente en belasting wordt betaald, moet een ondernemer volgens ONL geld kunnen lenen uit de eigen vennootschap om bijvoorbeeld te investeren, partners uit te kopen, of vastgoed aan te kopen.
  • Toegang tot financiering is één van de grootste uitdagingen voor ondernemers. Dit wetsvoorstel ontneemt ondernemers de mogelijkheid om met van de vennootschap geleend geld te investeren, innoveren en verduurzamen. Hierdoor zijn ondernemers aangewezen op externe financiers, met alle extra kosten en risico’s van dien.
  • Het wetsvoorstel maakt geen einde aan de “arbeidsintensieve discussies” tussen belastingplichtigen en de belastinginspecteur over in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een lening of dat er sprake is van een verkapte (fiscale) winstuitkering. De uitvoeringslasten voor de Belastingdienst worden met dit wetsvoorstel niet verlaagd.
  • Het achterliggende doel van dit wetsvoorstel is op meer eenvoudige wijze te behalen. Dit door consumptief krediet onmogelijk te maken en marktconforme zakelijke leningen toe te staan. De bewijslast naar de ondernemer te verplaatsen, zorgt voor meer toezichtruimte bij de Belastingdienst.

Lenen in de praktijk: zakelijk of consumptief

Het merendeel van de leningen vanuit een eigen vennootschap hebben geen consumptief maar een zakelijk karakter. De gemiddelde ondernemer gaat geen schulden aan bij zijn of haar BV om een boot (voor privégebruik) te kopen of om de vennootschap met schulden te vullen en daarna failliet te laten gaan. Dit soort misbruik moeten we hard aanpakken. In de praktijk gaat het om ondernemers die doormiddels van een zakelijke lening (pensioen)vermogen op kunnen bouwen.

In de discussie rondom lenen vanuit de eigen vennootschap moet volgens ONL onderscheid gemaakt worden tussen zakelijke leningen en consumptief krediet. Zakelijke leningen vanuit de eigen vennootschap zijn marktconform. Dit betekent dat de ondernemer de lening aflost, rentes betaalt en hierover ook weer belasting betaalt. In veel gevallen verstrekt de ondernemer zekerheden aan de vennootschap. Het is ONL onduidelijk waarom het kabinet van mening is dat zakelijke leningen (boven een bepaald bedrag) vanuit een eigen vennootschap onwenselijk zijn.

Het is voor ondernemers belangrijk om vermogen op te bouwen binnen de vennootschap. Dit geld is nodig voor toekomstige investeringen, om te kunnen groeien of om het bedrijf te kunnen verduurzamen. Als dit voor de toekomst bestemde geld op een bankrekening staat dan zal het, door de lage rentestanden, niet groeien. Dit geld investeren in andere bedrijven of vastgoed kan te risicovol zijn of niet aansluiten bij de bedrijfsdoelstellingen. Het geld uitlenen aan de ondernemer is dan een uitkomst. Niet alleen wordt het geld dan zeker terugbetaald, door de rentevergoeding neemt het vermogen van de vennootschap toe.

Lenen vanuit de eigen vennootschap is ook voor ondernemers praktisch. De afhankelijkheid van externe financiers wordt hierdoor verkleind. Dit betekent dat ondernemers hierdoor geen last hebben van banken die zomaar extra zekerheden eisen, de rentes verhogen of het krediet opzeggen. In de praktijk lenen ondernemers o.a. van hun eigen vennootschap om de hypotheek af te kopen, vastgoed voor familie te financieren, partners uit te kopen of een echtscheiding te betalen.

Ook voor het opbouwen van pensioenvermogen zijn leningen vanuit de eigen vennootschap belangrijk. Ondernemers zijn verantwoordelijk voor hun eigen oudedagsvoorziening. Standaard pensioenproducten of mogelijkheden om fiscaal aantrekkelijk pensioen op te bouwen ontbreken. Het is voor ondernemers belangrijk om vermogen op te bouwen voor hun oude dag, investeren met geld geleend van de vennootschap maakt dit mogelijk. Gezien alle discussie rondom ondernemers die geen pensioen opbouwen, lijkt het ONL onwenselijk om deze mogelijkheid weg te nemen.

Het probleem zit slechts bij een hele kleine groep ondernemers die geld vanuit hun vennootschap gebruiken voor consumptieve doeleinden en niet de intentie hebben om dit terug te betalen. Die groep zou gericht aangepakt moeten worden. Zonder alle ondernemers die te goeder trouw, conform geldende wet- en regelgeving, op advies van de bank en adviseur een lening bij hun vennootschap hebben.

Appreciatie voorstel Wet excessief lenen bij eigen vennootschap

ONL ziet grote problemen bij de achterliggende gedachte, de uitwerking, de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van dit wetsvoorstel. Het lijkt ONL ook beter om dit wetsvoorstel niet naar de Tweede Kamer te sturen en de doelstellingen van het wetsvoorstel op een andere manier te realiseren. Wij zijn altijd bereid om mee te denken over andere oplossingen en zullen in de volgende paragraaf twee voorstellen doen.

De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap is geen oplossing voor het door het kabinet geconstateerde probleem. Belastingontwijking en oneigenlijk gebruik van het fiscale stelsel worden niet (effectief) bestreden. Deze wet zorgt er alleen voor dat ondernemers ten onrechte méér belasting moeten betalen. In de praktijk betekent dit dat ondernemers dubbel of driedubbel belast zullen worden.

Het wetsvoorstel veronderstelt dat het onwenselijk is dat ondernemers vermogen opbouwen in een vennootschap. Hiermee wordt voorbijgegaan aan een tweetal praktische punten. Allereerst dat ondernemers vermogen in hun vennootschap opbouwen voor hun bedrijf, om in de toekomst te kunnen investeren, groeien en verduurzamen. Dit is belangrijk voor de continuïteit van de onderneming. Ten tweede dat ondernemers hun eigen pensioen op moeten bouwen. In veel gevallen bouwen ondernemers pensioen op in hun vennootschap. Het wetsvoorstel miskent deze realiteit. Het uitstellen van de Box 2-belastingheffing is niet per definitie onwenselijk of misbruik van het fiscale stelsel.

Ondernemers zullen door dit wetsvoorstel dubbel of zelfs driemaal belast worden. Het wetsvoorstel houdt geen rekening met het feit dat de ondernemer ook belasting betaalt over het rendement dat gemaakt wordt met het geleende bedrag. De vennootschap betaalt vervolgens belasting over de rente. Ook zal de ondernemer belasting betalen op het moment het vermogen in de vennootschap als dividend of loon uitgekeerd wordt. De DGA-taks komt hier bovenop. Bepalingen rondom het voorkomen van dubbele of driedubbele belastingheffing zijn in het wetsvoorstel achterwege gelaten, dit beschouwt ONL als een groot gebrek.

De Memorie van Toelichting geeft aan dat het huidige systeem veel toezichtcapaciteit van de Belastingdienst vergt. Tussen de regels door is te lezen dat dit wetsvoorstel moet zorgen voor minder arbeidsintensieve discussies tussen belastingplichtigen en de belastinginspecteur. Dit doel zal met het wetsvoorstel niet behaald worden. De bestaande jurisprudentie onverkort blijft gelden, de maatregel brengt daar geen wijziging in aan. Met andere woorden: er wordt een juridische fictie aangebracht waardoor ondernemers meer belasting moeten betalen, zonder een oplossing te bieden voor het achterliggende probleem. Dit versterkt het vermoeden dat deze wet alleen bedoeld is om extra belastingopbrengsten te verkrijgen.

Het wetsvoorstel maakt grove inbreuk op het bestaande fiscale systeem. In onze ogen sluit de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap niet aan bij het huidige stelsel. Niet alleen wordt er afgeweken van de bestaande systematiek en wordt er afgeweken van de normale definities. Het introduceren van een fictief regulier voordeel past volgens ONL slecht binnen het fiscale bestel in huidige vorm.

ONL spant zich in voor een betrouwbaar en stimulerend belastingstelsel. Dit zorgt er voor dat ondernemers durven investeren en doorgroeien. Met de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap beweegt de overheid zich verder af van een betrouwbaar en stimulerend belastingstelsel. Ook wordt het belastingstelsel nog ingewikkelder gemaakt, terwijl het kabinet er verstandig aan doet het belastingstelsel juist te vereenvoudigen.

Tot slot wil ONL benadrukken dat deze wet volkomen onverwachts kwam. In de verkiezingsprogramma’s en het Regeerakkoord is hier met geen woord over gerept. Ook in al onze gesprekken op het ministerie is dit voornemen niet besproken. Het plotseling introduceren van een extra belasting, zonder deze eerst aan te kondigen, staat haaks op het beeld van een betrouwbare overheid die zich inspant voor bestendige en werkbare regelgeving. Dit steekt temeer vanwege de onbeperkte terugwerkende kracht van deze maatregel. Het met terugwerkende kracht belasten van een in het verleden gangbare en veelvuldig geadviseerde praktijk vinden wij kwalijk.

Alternatieve oplossingen

I.

De problematiek zit in de consumptieve leningen vanuit vennootschappen aan de directeur-grootaandeelhouder. Het is zaak om de (onwenselijke) consumptieve leningen te onderscheiden van zakelijke leningen. Dit vorm gegeven worden door zakelijke leningen te definiëren en vrij te stellen van de DGA-taks / rekeningcourant maatregel.

Zakelijke leningen kunnen gedefinieerd worden als leningen waarover een marktconforme rente en belasting wordt betaald. Ook wanneer de rente fiscaal aftrekbaar is, zoals investeringen in een eigen huis, het volstorten van de BV of de aankoop van een elektrische fiets, moet de lening als een zakelijke lening gezien worden.

Alles wat niet als een zakelijke lening wordt aangemerkt wordt gezien als consumptief krediet. Leningen boven een bepaald vrijgesteld bedrag (bijvoorbeeld 150.000 euro) worden belast als een winstuitkering. Een overgangsregeling van drie jaar moet voorkomen dat ondernemers niet uit de voeten kunnen met deze oplossing.

Het voordeel van de bovenstaande oplossing is dat de Belastingdienst gericht kan handhaven. Dit maakt het beter uitvoerbaar dan de voorgestelde rekeningcourant-maatregel. Tegelijkertijd kan misbruik effectief aangepakt worden, terwijl ondernemers die zakelijk lenen tegen marktconforme voorwaarden geen hinder ondervinden.

II.

De alternatieve oplossing zoals aangedragen door mr. Wil Vennix RB (De Beer Accountants & Belastingadviseurs) ziet ONL ook als een werkbare oplossing:

1. Het maximum wordt verlaagd tot stel € 200.000.

2. Boven genoemd maximum geldt een tegenbewijsregeling: als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van een zakelijke lening (rente, zekerheden, looptijd, aflossing), is geen sprake van een fictief regulier voordeel.

3. De regeling wordt qua systematiek beter ingebed in het bestaande systeem van box 2, waarmee ook het risico op dubbele heffing wordt weggenomen.

4. Een tijdelijke vrijstelling voor de overdrachtsbelasting voor de overdracht van onroerende zaken van privé aan de BV.

5. Stimuleren van regelmatige dividenduitkering door de invoering van een verlaagd tarief van bijvoorbeeld 20% voor € 50.000 per persoon per jaar.